Zoeken
  • martinv

Op naar Monopolis 06

Bijgewerkt: 19 jul 2020

18 juli 2020 "Pap, ik moet dadelijk gaan hè". "Tommy" antwoordt Johannes meteen, klinkt als " Schat",

"Waar moest je ook al weer naar toe ?", "Naar de kleermaker, mijn broek was toch kapot, weet je nog?" "Natuurlijk, heb je geld? Pak mijn beurs maar, je weet waar die ligt". "Is goed, ik veeg dit even af". "Oké, dan doe ik de rest wel, ga maar gauw". Thomas zet de bezem weg, nog een restje wegvegend, wil de deur van de herberg uit, als net meneer Konings binnen komt. Hij heeft het gehoord, zegt: "Man, jij bent ook niet van deze tijd, broek laten repareren? Hier, krijg je van me, en koop maar een mooie nieuwe", en hij stopt een briefje van honderd in Thoms hand. En weg is de jongen, nogal haastig. Alsof hij een afspraak heeft, of iemand op hem wacht. Dat hoopt Thom, ze hebben afgesproken. Maar je weet het nooit.


Op de afgesproken plek is ze niet. Alweer niet. Ze kan zich nooit aan een afspraak houden. Thomas vindt dat heel vervelend. Zijn verstand zegt dat hij haar moet laten schieten, het wordt nooit wat, het is hopeloos. Maar hij kan haar niet loslaten, hij is zo verliefd. Ze wordt slordig, oud. Ze heeft zo'n mooi donker haar. Had. Het wordt dof, en ze heeft grijze uitgroei! Op haar leeftijd. Dat doet dat gekke spul. Thomas loopt als automatisch naar haar bank in het bos, daar vindt hij ze altijd. Dat is haar veilige plek, het bange beestje. En ja hoor, daar is ze. Thomas is geïrriteerd, maar ook blij, gemengde gevoelens. Hij is én verliefd, als boter zo zacht, maar van de andere kant is hij de vader die ze mist: hij moet haar corrigeren. "Waar was je, gisteren heb ik je ook al lopen zoeken", en als gewoonlijk geeft hij haar een zoentje op de wang, een beetje als een stempel (is van mij!). "Ik ben er toch, niet zeuren," zegt Cecile, de verlepte schoonheid. "Ik kan er niet tegen dat ik niet weet waar je bent". "Jij weet me altijd te vinden," zegt het meisje vol bewondering, "Ik was ergens mee bezig", een smoes, ze heeft weer die rare ogen, ze heeft gebruikt, ziet de jongen. "Kom, we gaan naar de stad", zegt hij, als voorlopige oplossing.

"Ik heb iets moois gezien bij Toos, moet je zien." en ze wandelen, beetje blij met elkaar naar de stad. "Wie is Toos?" vraagt Ciel, meer uit gewoonte dan dat ze zelf nadenkt, "Oh, ken je wel, zijn we vaker geweest, kom maar." Het is mooi wandelen, in deze tijd van het jaar en met elkaar, dat rijmt, realiseert Thom zich. En hij zegt het, om haar te laten lachen. "Jij maakt me blij, ik laat je lachen," zegt hij altijd. Thomas heeft een mooi juweel gezien, tweedehands, niet zo duur, denk hij. Hij wilde het kopen, voor haar, voor ooit, voor later. Maar hij heeft nú geld, is verliefd, dus later komt een beetje eerder, later wordt nu!

"Dag vent", zegt Toos, "heb je haar eindelijk meegebracht?". "Toos", zegt Thomas, "heb je die Lapis nog, die in de etalage lag?" "Maar natuurlijk, kerel', zegt ze (Toos is duidelijk zijn naam vergeten, maar wil dat niet laten merken, professioneel! En steeds "schat" zeggen, wat ze anders doet, past niet nu hij zijn meisje bij zich heeft) "Die Lapis lazuli heb ik toch voor je bewaard", zegt ze, heel eigen. En ze pakt het blauwe hartje ergens vandaan, met doosje en al. "Zonder kettinkje, hadden we afgesproken toch? Voor 120, was de afspraak, niet?" Ze doet alsof ze het vraagt, maar ze weet het verdomd goed."Maar geen blauwtje lopen hoor", ze vindt het grapje zelf leuk, ze lacht erom. "Thom!" reageert Ciel, beetje boos. "Stil,"is Thoms antwoord. "Een probleempje", zegt de jongen terwijl hij het geld uit zijn zak haalt, "zoveel heb ik niet, dit is wat ik heb." "Thom!" Cecile weer. ""Stil!" Thomas. "Toos, ik geef er honderd voor, meer heb ik niet, ik moet met mijn broek naar de kleermaker...." "Dat vind ik goed, mijn jong, kleren laten repareren is goed, je hoeft niet altijd alles meteen nieuw! En het is voor je meisje, neem ik aan? Goed doel, denk ik. Ik heb ook altijd wat over voor een goed doel.Moet ik het inpakken of gaat het zo mee? Weet je wat, schat, je krijgt van mij een zilveren kettinkje erbij, omdat jullie zo'n goed stel zijn". Het gaat zo mee, Thomas geeft het briefje, kijkt niet naar boze Ciel, en ze verlaten na een groet de winkel.

Buiten mag zij. "Nou, zeg het eens", nodigt Thomas haar uit. "Weet je hoeveel spul ik daarvoor kan krijgen, wat ik daarvoor moet doen? En jij geeft dat zomaar voor zo'n flauwekul!" De verliefde jongeling zegt: "Moet ik je het je hier omdoen, of zal ik het bewaren?", en dan zij, onverwacht tot rust gekomen:............... "Niet zo koel, niet gewoon omdoen, geven zonder gevoel, wenn schon, denn schon! Je mag het me op mijn kamer, thuis, geven, aanbieden..". En ze glimlacht heel lief, verliefd. Ze lopen verder, hand in hand, als een echt stel.

Op haar kamer geeft hij haar het doosje. Gewoon, niet op z'n knieën, maar wel met een liedje, Echt waar, hij heeft een apparaatje met de muziek en zingt erbij: (muziek)

‘k wou je altijd graag ontmoeten, ik heb steeds in ons geloofd. Ik wou dat jij dat nu zou inzien bent  niet helder in je hoofd Echt we kunnen eind’loos praten soms heel laat, mijn rust geroofd, jij bent steeds in mijn gedachten krijg je niet meer uit mijn hoofd.

Jij was soms wat ongehoorzaam, al had je anderszins beloofd dan was je vast wat minder volgzaam had dan wat anders aan je hoofd. Jij weet dat ik steeds gelijk heb dan moet je mee, heb je beloofd jij bent steeds in mijn gedachten krijg je niet meer uit mijn hoofd.

Luis-ter, fluister zachtjes tegen mij: “Ik maak je blij,” Ja ja Geloof me, ik zou zo happy zijn als jij dat nu eens zei, Dus maak me blij. solo... Jij weet dat ik steeds gelijk heb dan moet je mee, heb je beloofd jij bent steeds in mijn gedachten krijg je niet meer uit mijn hoofd. Krijg je niet meer uit mijn hoofd. Cecile, duidelijk onder invloed, niet van "Spul", zegt: "Kom Gekkie, dan maak ik je blij...."




12 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven